De schat van Beusekom

Het Slot van Beusekom staat op de bodem van de Maarsseveense Plassen, niet ver van het Enge Bos en de Tienhoven Tunnel. Dit is een volgend sprookje over dat duikgebied.

Ik hoor van alles rammelen en kraken op het moment dat de ophaalbrug van Slot Beusekom weer omlaag gaat. De roestige kettingen lijken het bijna te begeven en de muren van het kasteel trillen. Het is alsof de bodem onder mij meebeweegt. Angstig probeer ik via de opening naar buiten te kijken of het veilig is, maar het schemert al. Toch haal ik redelijk opgelucht adem. Er is een uitweg, eindelijk. Adem? Verschrikt kijk ik naar mijn manometer: ik sta op reserve, vol in het rood. Zoveel lucht heb ik dus niet meer. En mijn buddy is weg, al een eeuwigheid. Ik sta er helemaal alleen voor, gevangen in het spookslot. Ik moet rustig door blijven ademen, even niets ondernemen, en nadenken.

Eerder die dag waren we met z’n tweeën het water ingegaan, op zoek naar het verzonken Slot van Beusekom. Daarvoor hadden we jarenlang geluisterd naar stoere verhalen die waren overgeleverd uit het verleden, helemaal uit de riddertijd. Het was de tijd van tovenaars en duistere machten, van heksenjachten en brandstapels. We hadden onderzoek gedaan in oude boeken, in perkamenten, en we hadden lang gezocht om uiteindelijk sporen van het slot te vinden. De legende wil dat verjaagde koningen en piraten vroeger in dit slot hun schatten verstopten. De juwelen en het goud werden dan voor altijd beschermd door de vloek die de bouwer van het fort had uitgesproken. Niemand kon er ongestraft bij. Wij wisten echter maar al te goed dat vloeken en toverspreuken tot het verleden behoren en we hadden ons voorgenomen om de schatten op te duiken. Gewoon hij en ik, samen, zonder dat iemand er vanaf wist. Dit was dan ons verdiende loon voor jarenlang speurwerk.

Het kasteel vonden we probleemloos onder water. Eerst hadden we via een tunnel de heksenbodem bereikt en iets verder stond het slot dan, trots overeind, zoals het waarschijnlijk altijd al had gestaan. De muren waren onaangetast, steil en stevig als weleer. De ophaalbrug stond omlaag, uitnodigend, onbetreden, onbevlekt. Er hing een bel naast de brug maar we waagden het niet om die te luiden. Er waren verder geen ramen en geen poorten: een onneembare vesting. Al eeuwen was niemand hier meer binnen geweest.

De bel en de ophaalbrug
Illustratie 1: De bel en de ophaalbrug

Op goed geluk waren we naar binnen gezwommen, ik voorop, mijn buddy vlak achter me. Onze zwemvliezen deden tijdloze stof opwaaien en langzaam drongen we naar binnen, zoekend naar schatten in het doolhof. Met een lamp scheen ik in alle hoeken van het kasteel, hopend op een glinstering, op goud, op diamanten of robijnen. Na een minuut op twintig stuitten we op een donker voorwerp, in een hoek op de grond. Het was bedekt met zand en stof. We knielden en veegden het schoon. Een kist verscheen en we openden het deksel zonder al te veel moeite. Het leek alsof er licht uitkwam. Het was één en al glinstering. In de verte dacht ik het rinkelen van metaal te horen, alsof de ophaalbrug werd opgehaald, maar ik ging ervan uit dat het de gouden munten in mijn handen waren. Ik voelde trillingen door het slot en door mijn lichaam gaan maar dacht dat het de spanning was. Ik was totaal betoverd door de inhoud van de schatkist. Mijn handen grepen een gouden schaal, een gouden beker afgezet met edelstenen, munten, dukaten, parels. Zoveel rijkdom binnen handbereik. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden en merkte niet dat mijn buddy verdween. Toen ik een harde klap hoorde, was het al te laat. Het slot was afgesloten. Ik was alleen en het was doodstil onder water. Ik liet de schat liggen en zwom zo snel als ik kon terug naar de ingang. Die was dicht, muurvast, als gehoorzamend aan de vloek.

Blijven ademen en nadenken. Hier zit ik dan. De ingang is nog steeds open. Ik heb weinig lucht meer, het is bijna donker en ik ben zielsalleen op de bodem. Ik moet wegwezen, en zo snel mogelijk hier vandaan zien te komen. Ik zwem daarom vertwijfeld het slot uit en kijk nog even achterom. Het slot staat daar, dreigend in het halfdonker. Ik weet niet precies welke kant ik op moet. Naar de oppervlakte gaan kan hier niet. Het is namelijk heksengrond, en zodra het donker is komen de vleermuizen. Als razenden scheren ze ’s nachts laag over het water, op zoek naar een prooi, schreeuwend en spugend. Met mijn lamp schijn ik om me heen, op zoek naar een uitweg, en ik zwem rechtdoor, mijn geluk en het noodlot tegemoet. Ik moet weg van het spookslot, zo snel en zo ver als het maar kan. Ik heb dan wel geen schat maar wel nog mijn vege lijf.

De bovenkant van het slot
Illustratie 2: De bovenkant van het slot

Een stuk verder voel ik takken in mijn gezicht snijden. Het zijn boomtakken, honderden. Ik zie bomen naar me kijken. Ze huilen, ze loeien. Hun vele armen proberen me tegen te houden, te vangen. Het enge bos is net zo betoverd als de rest hier beneden. De bomen grijpen naar mijn uitrusting en proberen ergens achter te blijven steken om mijn vaart te remmen. Als ik hier naar boven zou proberen te zwemmen, zouden ze mij voorgoed onder water houden. Mijn enige optie is om er dwars doorheen te gaan. Ik probeer mijn mes te pakken maar word tegengehouden. De takken zijn te sterk voor me. Met alle kracht op aarde zwem ik door, met de blik op oneindig, hopend op een wonder.

Het wonder verschijnt wanneer ik buiten adem op een open plek aankom. Er zijn geen bomen meer, geen muren, en geen vallen. Het is een heerlijke leegte om mij heen, met niets dan zand. Tijdens dit moment van rust controleer ik mijn manometer weer. Mijn fles is bijna leeg. Ik moet snel de poort vinden die mij naar de tunnel zal leiden en daarna ben ik weer in veilig water, weg van de heksengrond. Op goed geluk zet ik koers op het westen omdat ik me vaag herinner dat ik daar ook vandaan kwam. Ik probeer niet al te veel op te vallen op de bodem en houd af en toe mijn adem in. De luchtbellen verraden mij en de vleermuizen wachten aan de oppervlakte, gereed voor een duikvlucht.

Iets verderop zie ik een silhouet, een boog, teken van triomf en van bevrijding. Het is Linda’s poort, de weg naar de uitgang van dit domein. Ik storm erop af en duik er onderdoor, de tunnel en het leven tegemoet. Ik kijk niet achterom om vooral geen tijd te verliezen. Het gat van de tunnel ligt pal achter de poort en ik stort me naar binnen. De tunnel is smal en ik voel de wanden langs mijn lichaam en mijn uitrustig schuren. Ik veroorzaak veel stof en stuifzand in het halfdonkere water waardoor ik even helemaal geen zicht meer heb. Ik stop daarom midden in de tunnel. Wanneer het water weer enigszins helder wordt wil ik verder gaan, naar de uitgang, maar ik zit vast. Ik weet niet of mijn benen worden vastgehouden of dat ik echt knel zit. Maar ik kom niet verder en ben gevangen op de grens tussen goed en kwaad. Rustig doorademen werkt nu niet meer. De ademautomaat gaat steeds zwaarder, ten teken dat de luchtvoorraad nu vrijwel op is. Ik maak me zo klein en zo smal mogelijk en kronkel centimeter na centimeter naar voren, naar de uitgang. En het lukt. De omtrek van het einde van de tunnel komt in zicht. Heel even nog, een klein stukje, en dan is de nachtmerrie over.

Onderwaterplattegrond
Illustratie 3: Onderwaterplattegrond

Met mijn lichaam voor een deel uit de tunnel bots ik tegen iets zachts aan, tegen iets dat op de heenweg niet voor de tunnel lag. Ik kan het niet goed onderscheiden, maar het ligt op mijn pad. Ik pak een lamp uit mijn vest en schijn op het voorwerp. Het lijkt te zijn omgevallen en ik draai het weer overeind. Wat ik zie doet mij onmiddellijk stoppen met ademen. Vliegensvlug trek ik mijn handen terug en ik kruip instinctief weer in de tunnel. Het is dood, maar levensecht. Het is een schedel, een hoofd in staat van ontbinding. Slierten vlees en huid bedekken het bot nog, tanden lachen mij toe en ogen lijken mij recht aan te kijken. Het is geen menselijke schedel maar wat het wel is, weet ik niet. Doodstil kijk ik naar dat ding op mijn vluchtweg. Even lijkt het alsof de schedel beweegt. Ik kijk nog eens beter en inderdaad, de kaak beweegt, het hoofd leeft! Ik moet weer nadenken. Ik kan geen kant uit. Moet ik naar achteren, naar de vervloekte grond? Moet ik naar boven, naar de vleermuizen? Of moet ik rechtdoor, naar de levende dode? Ik kan niet meer nadenken.

Het hoofd beweegt weer. Eén oog rolt zelfs heen en weer in de oogkas. Het is een spierwitte plek die heen en weer schuift. Het oog puilt uit en spring opeens in mijn richting, met een sliert van rotzooi achter zich aan. Ik kan het niet langer aanzien en sla mijn handen voor mijn duikbril. Als ik even later heel voorzichtig mijn vingers spreid zie ik het oog voor me op de bodem liggen, roerloos. Een beest kruipt uit de oogholte van het hoofd naar buiten. Het is lang, glibberig, donker en het kronkelt als een slang. Het is een monster uit een ander rijk, een aasgier op zoek naar overschotten, wachtend op mij waarschijnlijk, wetend dat mijn laatste teugje lucht nabij is.

Ik heb geen keuze meer, heb niets meer te verliezen en alles te winnen. Mijn lucht is op en ik waag mijn laatste kans: een noodopstijging. Ik kruip naar voren, naar de ingang van de tunnel. Ik gooi mijn lood af en zet me vervolgens met alle bovenmenselijke kracht die nog in mij is af van de bodem. Tijdens mijn lange tocht naar boven hoor en zie ik lucht. Het lijkt overal uit te ontsnappen, uit mijn vest, uit mijn longen, uit mijn ademautomaat. Ik adem uit wat ik kan en ga sneller dan ik ooit gegaan ben. Dan breek ik door het wateroppervlak heen en schreeuw het uit. Het is donker, de maan is vol en het waait. Ik slaak een zucht van opluchting en op datzelfde moment voel ik hoe iets mij bij de schouders grijpt. Klauwen! De vleermuizen! Ik had hier nog niet boven mogen komen!

Ik geef het op nu. Vechten heeft geen zin meer. Het is alsof de vleermuizen mijn naam roepen maar ik ben op, ik wil het niet horen, ik wil het niet weten. Ze trekken aan mijn arm en draaien me om, met mijn gezicht naar ze toe. Dan zie ik mijn verloren buddy voor me, in een roeiboot. Hij houdt me stevig vast. Hij had hulp gehaald en tilt me samen met anderen uit het dreigende water. Ik heb de kracht niet meer om mee te werken. De betovering is dan wel overwonnen maar ik ben zelf ook gebroken. Ik kijk angstig naar het water en ben stil. Het heeft geen zin om te vertellen wat zich daaronder allemaal afspeelt. Niemand zou het immers geloven. Nooit. Hekserij bestaat immers niet meer.

Maar ondertussen, wees gewaarschuwd als niets vermoedende duiker. Pas op de tunnel en het spookslot. Het leven is niet altijd zeker onder water, beslist niet daar waar eerst heksengrond was. De vloek rust er nog steeds, wachtend op een offer.

Door Royan van Velse

Royan van Velse werkt in de gezondheidszorg als manager inkoop. In zijn vrije tijd schrijft hij boeken en columns. Zo is hij onder andere de auteur van NOB cursusboeken en het boek “Onderwaterleven in de Middellandse Zee“. Meer van zijn werk is te vinden via ecritures.nu. Royan heeft inmiddels zo’n 3.000 duiken gemaakt en is instructeur bij de NOB, PADI en de Franse bond FFESSM.