Geen weg terug

Er wordt niet heel veel meer gedoken in Maarsseveen. Aan de kant waar het SDMP ooit heel veel duikers ontving is het rustig, maar onder water gaan het leven en de bedrijvigheid gewoon door. Het volgende verhaal komt uit een reeks sprookjes die verhalen over de afgezonken voorwerpen en kunstmatige bandenriffen die daar nog liggen.

Rillend keek hij voor zich uit aan het eind van de nacht, het donkere gat in starend. Hij voelde zich eenzaam, ook al was hij niet alleen op deze vooruitgeschoven post van het rijk. Kameraden en lotgenoten hadden het al even moeilijk als hij om wakker te blijven. Het was koud en er was bijna geen zicht. Zelfs overdag drong de zon amper door tot deze plek.

Ze hadden het allemaal wel gezien toen ze hierheen kwamen, terwijl ze werden losgerukt van hun jeugd en hun onschuld: dat bordje waarop stond dat er geen weg terug meer was. En daarna moesten ze nog dat hele eind rechtdoor zwemmen, over lege zandvlaktes, steeds verder van het rif af, verder weg van hun leven en hun herinneringen. Ze waren amper een paar maanden oud, nog niet eens volwassen en niet eens uitgefeest. Hun wilde schubben waren ze nog niet kwijt maar de ernst van de situatie had een eind gebracht aan hun jeugdige onbezorgdheid.

Toen bekend werd gemaakt dat het rijk werd bedreigd moesten alle jonge mannetjesvissen zich verzamelen en werden ze in korte tijd door nog onervaren drillsnoeken opgeleid om het rif te verdedigen. Dagenlang zwommen ze tussen obstakels door, verdwenen ze onder het zand van de bodem en leerden ze op eigen vinnen staan. Ze leerden om zich in de rietkragen te verschansen, legden hinderlagen op de bodem, overvielen elkaar en sliepen weinig. Wat eerst ernst leek eindigde in een pretpark, waarbij de spelletjes van vroeger nog eens serieuzer over werden gedaan.

Maar hier, op deze stalen plaat in de diepte, voelde hij zich vooral eenzaam. Hij had moeite om zijn grote bolle ogen open te houden en te blijven turen naar wat hij toch niet zag. Dat gold evenzo voor zijn vriendjes bij hem in de buurt die net zo onnatuurlijk als hijzelf om zich heen keken. De enige afwisseling op deze plek was de baarzenpatrouille die regelmatig langs kwam zwemmen. Hij vond ze mooi om te zien met hun oranje vinnen en prachtige strepen. Was hij maar een baarsje dacht hij dan, dan had hij veel meer vrijheid.

Inlichtingenvissen hadden na de opleiding informatie gegeven over het gevaar: kreeftachtigen. Deze beesten hadden hun rijk opgeëist. En wanneer het niet vrijwillig afgestaan zou worden, zou het meedogenloos worden veroverd. Bevend had hij geluisterd naar de beschrijving van deze monsters die uit een heel andere tijd leken te stammen. Ze konden erg groot worden, waren snel en kropen geruisloos over de bodem. Ze hadden enorme scharen aan de voorkant, waarmee ze willekeurig zelfs grote vissen konden verwonden. En kleine visjes als hijzelf zouden ze met één enkele schaarbeweging doormidden snijden. Hij zou dood gaan zonder zelfs maar geleefd te hebben. Verder hadden de vijanden een beschermend omhulsel om, waar bijna geen vis doorheen kon bijten, behalve de grote snoeken dan. Maar daar waren er niet zo veel van. Ze konden niet zwemmen gelukkig, maar wel weer onverwachts omhoog springen. Ze konden je besluipen zonder dat je het hoorde of zag, en voordat je het in de gaten had kon je ten prooi vallen aan hun klauwen.

Kreeft

Stilletjes huilde hij. Hij had heimwee en hij was bang. Bang om nu al dood te moeten gaan. Heimwee naar het rif, naar zijn ouders en zijn familie. Heimwee naar de spelletjes, het tikkertje spelen onder water, het plagen van de schelpdieren, het verstoppen in het rif. Dat een leven dat zo mooi begon, zo abrupt kon eindigen had hij nooit gedacht. Geen weg terug stond er op dat bordje, en hij geloofde het echt.

Heel voorzichtig kwam er wat licht door de oppervlakte heen. Het werd weer dag. Hij kon niet zo ver naar boven kijken maar hij merkte wel dat het zicht naar voren wat beter werd. De andere visjes om hem heen kon hij nu ook beter onderscheiden. Hij vroeg zich af wat hij moest doen indien er kreeftachtigen aan kwamen kruipen. Wegzwemmen? Erop af gaan en ze bijten? Hij wist het echt niet en volgens hem wist ook niemand het eigenlijk.

De bodem in de verte leek wel grijs, net als het water. Het kostte hem moeite om de grens tussen zand en water te onderscheiden, totdat hij wat zandpluimpjes zag verschijnen, recht voor hem uit. Het was een stofwolkje, amper zichtbaar op de vlakte. Zijn hartje begon sneller te kloppen en hij wilde wegzwemmen, naar boven, daar waar niemand hem zou kunnen pakken. Maar hij bedacht dat de baarzenpatrouilles op alle dieptes actief waren. Dus bleef hij kijken, verstijfd van angst, naar dat naderende wolkje. En even later zag hij ook wat dat wolkje veroorzaakte. Het was een beest, iets groter dan hijzelf, langzaam, onhandig bijna, met dezelfde kleur als de bodem, gewapend met twee vlijmscherpe scharen die hij voor zich uit hield. Een kreeftachtige! Eén! Het beest bleef staan. Was dit nu de voorste verkenner waar ze het tijdens de opleiding over hadden gehad? Dan zouden er zo meteen massa’s tevoorschijn komen en was zijn laatste uur geslagen.

Al het opgedwarrelde zand zakte weer naar de bodem en van geringe afstand keken ze elkaar aan. Ze bewogen geen van beiden, gehypnotiseerd of versteend van angst. Hij dacht eraan om het beest aan te vallen, samen met de anderen. Deze konden ze nog wel aan indien ze er allemaal tegelijk op af doken. Maar hoe zou dan de wraak van de andere kreeftachtigen zijn? Waar waren de snoeken nu trouwens? Hij had het gevoel dat hij er alleen voor stond, de redder van het rijk.

Terwijl ze elkaar aankeken zag hij niet dat er steeds grotere zandwolken verschenen aan de horizon. Uit de diepte kwamen deze omhoog, over de hele breedte van de bodem. Hij werd uit zijn betovering gehaald door het roepen van zijn wapenbroeders die zich voorbereidden op de aftocht. Een enorme overmacht had zich inmiddels opgesteld achter de verkenner. Kreeftachtigen, grote en kleine, de scharen omhoog geheven, en klaar voor de aanval. Hij keek weer naar de verkenner en voelde zich verraden. Hij kon nauwelijks ouder zijn dan hijzelf was, en misschien was hij ook wel losgerukt uit een afgebroken jeugd. Even, heel even, had hij hem bijna vertrouwd, had hij iets van sympathie voor hem gevoeld. Hij huilde weer, niet uit angst dit keer, maar omdat hij zich gekwetst voelde. Eventjes had hij in anderen geloofd.

De kreeftachtigen bewogen niet. Het water was helder aan het worden en hij had nooit gedacht dat er zoveel van hun soort leefden in de diepte. De verkenner keek hem recht in de ogen en deed een stap voorwaarts. Ze observeerden elkaar, gehuld in stilzwijgen. Na een pijnlijke en roerloze stilte draaide het beest zich om en kroop terug om plaats te nemen tussen zijn soortgenoten. Tot zijn verbazing keerde de hele linie hem vervolgens de rug toe. De massa kwam in beweging en in een enorme zandwolk marcheerde het kreeftenleger terug richting het diepste water. Eén van hen bleef plots staan echter, alsof hij twijfelde: de verkenner, de kleine kreeft. Hij keek achterom, naar het visje dat nog op wacht stond. Ze keken nog één keer naar elkaar. Het leek alsof hij zwaaide of wenkte met zijn voelsprieten, alsof hij iets uit wilde wisselen, wilde delen. Iets als een groet, een vaarwel misschien, alvorens op zijn beurt te verdwijnen in de diepte en ook verder te gaan met zijn jeugd.

Het bordje met de tekst “Point of no return” staat nog steeds bovenop een stapel banden. Daarvandaan loopt een bandenpad naar het platform op 20 meter waar het toen nog jonge visje op wacht stond..

Door Royan van Velse

Royan van Velse werkt als manager inkoop. In zijn vrije tijd schrijft hij boeken en columns. Zo is hij onder andere de auteur van NOB cursusboeken en het boek “Onderwaterleven in de Middellandse Zee“. Meer van zijn werk is te vinden via ecritures.nu. Royan heeft inmiddels zo’n 3.000 duiken gemaakt en is instructeur bij de NOB, PADI en de Franse bond FFESSM.