Merlijn’s hermitage

In de Maarsseveense Plassen ligt langs het bandenrif op een paar meter diepte een bouwwerk dat “Merlin’s Cave” heet. Het sprookje hieronder gaat over het ontstaan van de plassen en van die grot.

P4230105sa

Hij stond op de vlakte. Rood zand waaide zacht door zijn witte haren terwijl de zon op zijn huid brandde. Hij staarde voor zich uit en vroeg zich af of dit alles om hem heen wel tot de werkelijkheid behoorde. Hij luisterde naar mensen die door het zand schuifelden en hoorde het gekletter van wapens. Armen strekten zich naar hem uit, handen probeerden hem vast te grijpen. Hij keek in duizenden ogen om hem heen, dof, betraand, verloren. Hij wendde zich af, draaide zich om, maar aanschouwde aan alle kanten hetzelfde tafereel: de moderne mensheid. Hij sloot zijn ogen en nam de geuren in zich op. Het rook naar verbrande aarde, naar de zoete geuren van bederf en van de dood. Het rook naar zweet en naar vuur. Hij voelde zich alleen en machteloos.

Als in een droom liet hij zich meeslepen door de wind, alsof hij de aarde beneden zich liet en vanuit een onschuldig wolkendek de wereld nog eens mocht aanschouwen. De blikken van duizenden ogen in wankelende lichamen volgden hem in zijn vlucht. Hulpeloos probeerde hij zich over hen te ontfermen maar hij gleed steeds weer weg, alsof een onzichtbare kracht aan zijn voeten trok. Beneden hem werd er gestreden op leven en dood, om een wapen of om brood, terwijl ontzielde kinderen achterbleven zonder dat moeders er nog naar omkeken. Verheven en radeloos draaide hij zijn gezicht af. Dit wilde en kon hij niet meer zien. Hij kon er niets aan veranderen. Was dit nu geschiedenis? Was dit nu beschaving? Hij stond er ooit middenin, hij maakte er deel van uit, maar het was sterker dan hij had kunnen beseffen.

Hij vluchtte weg van dit al, door woestijnen en over oceanen, om zich terug te trekken en te verbergen totdat hij het zou vergeten. Als dat al mogelijk was. Hij keek niet meer om. Hij was op zoek naar rust en naar leegte, ver weg van die beschaafde wereld, om in zijn eigen universum te leven voortaan. Zijn tranen waren die van een man die alles had gegeven. Een man die meer had willen betekenen maar niet over bovennatuurlijke krachten had beschikt. Een man die ze Merlijn noemden, om zijn baard. Kon ook hij maar toveren, net als in de legende, dan was alles zoveel anders gelopen op deze aardbol.

Hij belandde uiteindelijk in een afgraving in een onherbergzaam gebied, en het lukte hem om daar een grot te vinden, voor hem alleen. Hier zou hij voortaan leven, als heremiet, om na te denken over het menselijk bestaan. En om te schrijven en te proberen alles te begrijpen, ver van alles, vergezeld door stilte en eenzaamheid.

Dag na dag liet hij zijn leven de revue passeren, dacht hij na over pijn en ellende, dacht hij terug aan al die kwetsbare mensen die hij had achtergelaten. En hij huilde, weer en steeds weer. Hij vond geen troost in zijn overpeinzingen en ook het huilen luchtte hem niet op. Warme en zoute tranen rolden elke keer over zijn wangen en vormden weldra een plas water aan de ingang van zijn grot. Huilen was echter geen oplossing, en dat maakte Merlijn nog verdrietiger. Hij liet tranen lopen van woede, en tranen van onmacht. Hij had pijn in zijn hart en pijn in zijn ziel, en ook pijn in zijn herinneringen. Hij huilde zo veel dat de tranen op een dag geen zout meer bevatten. Ze werden zoet. Hij kon er niets aan doen. Hij kon er gewoon niet meer mee stoppen, net zomin als hij de ellende in de wereld een halt had kunnen toeroepen.

Jaren gleden zo voorbij. Merlijn werd er merkwaardig genoeg niet ouder op, maar ook niet vrolijker. Zijn tranen hadden de afgraving gevuld met vocht en hij leefde nu helemaal afgesloten van de wereld, in zijn grot op de bodem van het zoete water. Het was water zonder smaak en zonder kleur. Dagenlang zat hij voor de ingang van zijn hermitage en probeerde hij terug te denken aan de leuke dingen van vroeger. Maar de slechte herinneringen bleven dit alles verdringen.

Zijn eenzaamheid deed hem denken aan een boek dat hij ooit had gelezen, over een schipbreukeling die alleen en verlaten was aangespoeld op een eiland. Langzamerhand begon hij een vorm van gezelschap te missen. Hij wenste dat er ook andere wezens in zijn leefgebied kwamen. Hij dacht er steeds vaker aan, wachtend op afleiding. Zijn verdriet veranderde af en toe in hoop, de hoop om iemand tegen te komen onder water. En hij wachtte, wachtte geduldig voor zijn grot, de tijd trotserend.

Op een dag, eindelijk, nam een klein visje plaats aan zijn voeten. Het diertje keek hem in alle onschuld aan met zijn grote ogen. Merlijn zag het schepseltje en glimlachte. Er was dus toch nog iets om naar uit te kijken in deze wereld. Het jonge beest observeerde Merlijn, zwom sierlijk langs hem heen en kwam uiteindelijk op zijn uitgestrekte hand liggen. Nieuwsgierig keken ze elkaar aan en zonder ook maar iets te zeggen, sloten ze vriendschap, zonder zich af te vragen waar ze vandaan kwamen en wat hun verleden was. Ze waren er, en daar ging het om. Dat was meer dan voldoende.

Met de tijd werd het visje groot en nog steeds brachten de twee vrienden hun dagen samen door. Al spelend met zijn maatje was Merlijn eindelijk bereid om buiten zijn schuilplaats op ontdekking te gaan, op reis in een nieuwe wereld. Zo ontdekte hij in stilte de andere kant van het leven, in het kielzog van de vis. Hij ontmoette andere vissen die in zijn tranen waren komen wonen. De dieren wisten niets van zijn grief maar deelden het water gewoon in vrede met andere vissen. Merlijn maakte kennis met wat eens zo’n droog en onheilspellend gebied was geweest. Zijn melancholie had nieuw leven ingeblazen in de afgraving. Waterdieren beleefden hier hun bestaan zonder gehinderd te worden door een ander leven dat elders lag. Waterplanten gave  zuurstof aan het gebeid. De cirkel was rond. Verdriet op de ene plaats had gezorgd voor geluk elders.

Merlijn observeerde zijn vrienden en genoot van de rustige sierlijkheid van hun bewegingen. Soms kwamen ze bij hem op de knieën zitten en al zwijgend genoot hij dan van hun aanwezigheid waarbij zijn handen hun schubben en vinnen streelden. Zijn grot was open voor iedereen die maar wilde komen, dag en nacht. Hij plaatste het bordje “Merlin’s Cave” er bovenop zodat een ieder het zou weten te vinden. En vaak, heel vaak, wanneer hij terugkwam van een lange tocht door het water, trof hij daar vluchtelingen aan. Dat waren visvrienden die zwak waren of werden verstoten, of die gewoon, net als hij ooit, even tot rust moesten komen. Hij stak zijn helpende hand dan uit en kon weer doen wat hij al die jaren al wilde: zich inzetten voor een ander. Alleen deed hij het nu in een andere wereld, in zijn eigen wereld die hij had doen ontstaan door utopie en werkelijkheid bij elkaar te brengen.

Merlijn genoot weer van zijn aanwezigheid op aarde. Het had hem de nodige tijd gekost maar het was hem eindelijk gelukt. Wanneer hij van onder water omhoog keek naar de zon, besefte hij dat deze zon daadwerkelijk dezelfde was als die aan de andere kant van de aarde, daar waar de grond verschroeid was. Maar meestal dacht hij daar niet meer aan terug. Hij had gedaan wat hij moest doen. Het had hem veel tranen gekost, maar voor de rest van zijn leven zou hij hier blijven.

Na al die jaren woont Merlijn waarschijnlijk nog steeds in zijn grot. Vissen komen er nog geregeld voor een tijdelijk thuis of een moment van vriendschap en geborgenheid. Het is zeker de moeite waard om eens langs die grot te zwemmen, plaats te nemen bij de ingang en te kijken of Merlijn er is. Zo ja, luister dan gewoon naar wat hij te vertellen heeft. Is hij er niet, neem dan de tijd om rustig om je heen te kijken en te observeren. Het gevoel daar onder water is immers niet zoals aan de oppervlakte. De gewichtloosheid is niet aan iedereen gegeven. Bij Merlijn kun je ontspannen en genieten van je eigen aanwezigheid in die grote plas vol tranen. En zo vanzelfsprekend is het niet.

Door Royan van Velse

Royan van Velse werkt als manager inkoop. In zijn vrije tijd schrijft hij boeken en columns. Zo is hij onder andere de auteur van NOB cursusboeken en het boek “Onderwaterleven in de Middellandse Zee“. Meer van zijn werk is te vinden via ecritures.nu. Royan heeft inmiddels zo’n 3.000 duiken gemaakt en is instructeur bij de NOB, PADI en de Franse bond FFESSM.