Watervrees

Met iets van twijfel sta ik aan de waterkant. Een gevoel van onbehagen stroomt door mijn hele lichaam heen. Ik heb het koud, ik ben rillerig en mijn hart klopt in mijn keel terwijl mijn benen me bijna niet kunnen dragen. En dat ligt niet aan de loodzware duikuitrusting die ik op mijn rug heb hangen. Als ik de handschoenen aantrek merk ik dan mijn handen trillen. Het moment is daar, het moment dat ik zo vaak heb uitgesteld. Angst, onzekerheid en spijt nemen de overhand. En ik kan geen kant meer uit, alleen nog maar rechtdoor, het water in. Daar waar het ligt te wachten op me, ongeduldig al waarschijnlijk, wetend dat dit zijn moment is.

Even denk ik terug aan het verleden, aan onze ontmoeting in het diepe. Het was toen donker en koud, net als vandaag. In het troebele water had ik het niet gezien, maar het lag al geruime tijd op de loer, doodstil, zichzelf zonder twijfel vermakend om mijn luchtbellen en mijn bewegingen. Als een bliksemschicht schoot het die eerste keer langs me heen. Ik had aanvankelijk alleen het oog gezien. Het was bloeddorstig, als van een aasgier, als van een geducht rover. Slechts weinigen hebben deze ervaring na kunnen vertellen. Een legende, of toch waarheid? Het was heel erg dichtbij voor even. Van de schrik had ik omhoog gekeken en gezien hoe het weggleed door de watermassa, alsof het naar de zon reikte. Het verdween als ware naar een andere wereld, waar het eigenlijk thuishoorde. Het was sierlijk, maar vooral krachtig, en bestond uit één en al spieren en scherpe tanden. Het was vernietigend en meedogenloos, niet van deze tijd.

Ik kijk naar mijn buddy. Hij kent het beest alleen van afbeeldingen uit moeilijke boeken. Volgens de nalevering overleef je zo’n ontmoeting slechts één keer en hij is vastbesloten om van vandaag die ene keer te maken. Mijn ene keer is echter al geweest. Ik probeer mijn angst te verbergen en onder toeziend oog van een groot publiek lopen we uiteindelijk de trap af, het water in. Het is nog ondiep in eerste instantie en het geeft ons de kans om te wennen aan de temperatuur terwijl het koude water in onze pakken sijpelt. Dan geven we het afdaalteken en voordat ik het goed en wel besef zijn we op weg naar de uitgang van de haven, naar de overgang naar het diepere deel.

Het zicht is slecht, net als toen. Ik kijk op m’n dieptemeter en zie dat we snel dalen. Het wordt kouder en we doen de lampen aan om beter te kunnen zien. We zijn op zoek, het is een speurtocht naar het onbekende, een confrontatie met het grote gevaar. Ons beider ademhaling klinkt heel hard in mijn oren. Is het de angst, de kou misschien, of de stikstof die mij parten speelt? Maar we vervolgen de tocht, dieper en dieper. Al zwemmend kijk ik recht voor me uit en vooral nergens anders heen, om te voorkomen dat ik het zie. Want het is er. Ik voel, ik weet het, en op ieder moment kan het zijn tanden in mijn lichaam of uitrusting zetten. Het kan mij met zijn krachtige kaken in één hap doormidden bijten en ik zal het misschien niet eens merken. Bij elke ademteug heb ik meer spijt van deze dwaze expeditie.

Mijn buddy zoekt, tuurt, staart, beweegt met zijn lamp, en lokt. Kortom, hij doet alles om het aan te trekken. Noodlot ontloop je niet. Maar moet je het echt een handje gaan helpen? We zwemmen onder een platform door en vervolgens langs een muur. Hier gebeurde het de vorige keer. Nu begin ik wel schichtig om me heen te kijken, klaar om de buddylijn die ons verbindt af te gooien en als een bezetene weg te zwemmen. Ieder voor zich, bud! Doodsangst doet mensen veranderen en ik besef dat we nu al in levensgevaar verkeren. Voorzichtig glijden we langs struiken en tussen takken onder water. Het lijkt op een eng, verdronken bos. Ik probeer niets aan te raken onder water om vooral geen aandacht te trekken. Het  bos is gehuld in een dichte mist. Wat ik niet kan zien, kan het wezen misschien ook niet zien.

Wanneer we het woud achter ons laten voel ik me wat minder gespannen. De gevaarlijkste plekken hebben we achter de rug en er is niets gebeurd. We hebben niets gezien. Een ideale duik dus. Ik kruis mijn armen voor m’n borst en zweef vlak boven de zandbodem. Op dat moment komt er een zandwolkje omhoog, recht voor mijn gezicht, en er ketst iets tegen mijn duikbril aan. In een flits zie ik een gruwelijk lichaam dat op mijn hoofd afkomt, met klauwen die me proberen vast te grijpen. Ik hoor mijn schreeuw nog voordat ik besef dat ik aan het gillen ben. Al zwevend zie ik het bloeddorstige monster voor een tweede keer op me afkomen met een ongekende agressie. In een poging om het van me af te slaan word ik hysterisch. Ik vecht tegen een overmachtige vijand totdat ik door iets zwaars tegen de bodem word gedrukt. Ik voel een hand op de mijne en zie mijn buddy tegen me grijnzen. Hij houdt me vast en kalm wijst hij naar een rivierkreeftje, vlak voor me. Het beest zit achterover, met opgeheven scharen. Mijn hart gaat tekeer als nooit tevoren. Het diertje was zo te zien op zijn beurt dusdanig van ons geschrokken dat hij tot twee keer toe tegen me opgesprongen was, misschien wel om z’n territorium te verdedigen.

Ik kan er niet om lachen en wil het water uit. Het liefst ogenblikkelijk. Ik geef het teken “einde duik”, we draaien om en zetten koers naar de steiger. Achterom kijken doe ik niet meer. Het doel van de duik ben ik even vergeten, of heb ik heel diep weggestopt.

Watervrees

Steeds verder verwijderd van de duikers, tussen de takken van het dode bos, hangt het, doodstil, terwijl slechts een vinnetje af en toe beweegt. Het kijkt de twee helden na en ziet ze in het mistige water verdwijnen. Met z’n forse lengte had het de indringers met gemak kunnen verdrijven, terug naar boven, terug naar buiten. Het had ook een flinke hap menselijk vlees uit één van de duikers kunnen scheuren. Onverschrokken, machtig, heerser over deze diepte, bleef het echter op afstand. Als het had toegehapt, was het geen legende meer geweest maar was het doelwit geworden. Onverstoorbaar, slimmer dan menig ander schepsel, koos het ervoor om eenvoudigweg gerespecteerd en gevreesd te blijven, zodat ook andere duikers in de toekomst plaats zouden maken. Opdat de esox lucius blijft wat het is: een levende legende.

Door Royan van Velse

Royan van Velse werkt in de gezondheidszorg als manager inkoop. In zijn vrije tijd schrijft hij boeken en columns. Zo is hij onder andere de auteur van NOB cursusboeken en het boek “Onderwaterleven in de Middellandse Zee“. Meer van zijn werk is te vinden via ecritures.nu. Royan heeft inmiddels zo’n 3.000 duiken gemaakt en is instructeur bij de NOB, PADI en de Franse bond FFESSM.